Minder dierlijk eten is niet automatisch hetzelfde als een duurzamer voedselsysteem

Op 29 mei 2026 stuurde de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur een reactie aan de Tweede Kamer op een notitie van een ondernemer uit de foodsector. De titel van die notitie was: “Is overstappen op plantaardig voedsel wel beter voor het milieu?”

De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur had de minister gevraagd daarop te reageren. De gebruikelijke lijn is minder dierlijk, meer plantaardig. Maar wie verder kijkt naar landbouwgrond, veevoer, reststromen en kringlooplandbouw, ziet dat de werkelijkheid minder zwart-wit is.

Wat bracht de briefschrijver naar voren?

De briefschrijver stelde vragen bij de gedachte dat een verschuiving naar plantaardige voeding automatisch beter is voor het milieu. Zijn punt was niet dat alles bij het oude moet blijven. Hij wees vooral op de samenhang tussen landbouwgrond, akkerbouw, veeteelt, reststromen en veevoer.

Niet iedere hectare landbouwgrond is geschikt voor akkerbouw. Op vruchtbare akkerbouwgrond kunnen gewassen voor menselijke consumptie worden geteeld. Maar graslanden en veenweidegebieden hebben een andere functie. Daar kan veehouderij juist een logische rol vervullen.

Ook reststromen zijn van belang. Dieren kunnen grondstoffen benutten die niet rechtstreeks geschikt zijn voor menselijke consumptie. Denk aan gras, gewasresten en bijproducten uit de voedselproductie. Daarmee kunnen zij stromen omzetten in voedsel van hogere waarde.

De kern van de notitie was daarmee breder dan de vraag of mensen minder vlees zouden moeten eten. De echte vraag was: “Is een voedselsysteem werkelijk duurzamer wanneer dierlijke productie zonder verdere nuance wordt teruggedrongen?”

De minister houdt vast aan de eiwittransitie maar erkent dat dieren functioneel zijn

De minister geeft als reactie dat het doel blijft om in 2030 uit te komen op een gemiddelde verhouding van 50% dierlijke en 50% plantaardige eiwitten. Volgens de brief consumeerden Nederlanders in 2025 gemiddeld nog ongeveer 60% dierlijke eiwitten.

Maar de minister erkent tegelijk dat dieren een functionele rol kunnen houden in een duurzaam voedselsysteem. Zij wijst erop dat vee reststromen uit akkerbouw en menselijke consumptie kan benutten. Ook grasland kan via dieren worden gebruikt voor voedselproductie wanneer akkerbouw daar niet of nauwelijks mogelijk is. Daarnaast speelt mest een rol in de kringloop: nutriënten kunnen terugkeren naar de bodem en opnieuw worden benut voor gewassen. Dat is een belangrijke nuance.

De minister zegt niet dat iedere vorm van veehouderij duurzaam is. Ook wordt de eiwittransitie niet losgelaten. Wel maakt zij duidelijk dat dieren niet eenvoudig uit het voedselsysteem kunnen worden weggestreept.

De bodem bepaalt mede wat logisch is

Een zwakke plek in het publieke debat is dat landbouwgrond vaak wordt behandeld alsof iedere hectare vrij inzetbaar is. Maar dat klopt niet.

Een vruchtbare akker leent zich voor voedselgewassen. Grasland en veenweidegebieden hebben andere eigenschappen. Op zulke gronden kan beweiding of voederwinning logischer zijn dan akkerbouw. Daarmee verschuift ook de vraag.

Niet alleen de hoeveelheid dierlijke of plantaardige productie telt. Belangrijker is hoe grond, voer en reststromen werkelijk worden benut. Een duurzaam voedselsysteem vraagt dus niet om één uniforme oplossing. Het vraagt om keuzes die passen bij de bodem, de regio en de keten.

Dieren zijn onderdeel van een kringloop

De rol van vee wordt vaak uitsluitend beoordeeld vanuit uitstoot of ruimtegebruik. Dat zijn actuele onderwerpen. Maar zij vertellen niet het hele verhaal. Dieren vervullen ook een circulaire functie.

Zij kunnen gras benutten dat mensen niet eten. Zij kunnen reststromen uit akkerbouw en levensmiddelenproductie verwerken. Zij kunnen laagwaardiger stromen omzetten in vlees, melk of eieren. En via mest kunnen nutriënten terugkeren naar de bodem. Dat maakt dierlijke  productie niet automatisch duurzaam. Maar het betekent wel dat dierlijk en plantaardig niet altijd tegenover elkaar staan.

In een goed ontworpen voedselsysteem behoren akkerbouw en veehouderij elkaar juist te versterken.

Conclusie

De brief van de minister is geen koerswijziging. De overheid blijft inzetten op meer plantaardige eiwitten. Maar de reactie laat wel zien dat het debat te vaak wordt versimpeld.

Dierlijk tegenover plantaardig is niet de juiste tegenstelling. De betere vraag is: “Hoe bouwen we een voedselsysteem waarin grond, voer, reststromen en dieren zo verstandig mogelijk worden gebruikt?”

Een duurzamer voedselsysteem ontstaat niet alleen door minder dierlijk te produceren. Het ontstaat vooral door beter te kijken naar wat waar de meeste waarde oplevert.

Bron: https://open.overheid.nl/details/f7c68a87-a8ca-4462-ab8c-2ccdb5644e77

Vraag een vrijblijvend Condor Consult aan