Ziekenhuisbacterie op voedsel: EFSA heeft geen volledig beeld

De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) heeft een rapport opgesteld over  de aanwezigheid, verspreiding en risico’s van de ziekenhuisbacterie CPE (Carbapenemase-producerende Enterobacterales) in de voedselketen van de EU.  Hierin staat dat de EFSA nog niet alles weet omdat veel voedselcategorieën nog  onderbemonsterd zijn. De conclusies over het risico zijn daarom voorlopig en beperkt.

Wat zijn CPE’s?

CPE’s worden ook wel ziekenhuisbacterieën genoemd omdat ze daar vooral voorkomen en daar een probleem vormen, net als MRSA. CPE staat voor Carbapenemase-producerende Enterobacterales – dat zijn bacteriën (zoals E. coli of Salmonella) die een speciaal soort enzym aanmaken, genaamd carbapenemase. Dat enzym maakt sommige van de sterkste antibiotica (carbapenems) onwerkzaam. De genen die deze enzymen aansturen (zoals blaVIM-1, blaOXA-48, blaOXA-181 en blaNDM-5) zitten vaak op plasmiden, dat zijn overdraagbare stukjes DNA. Plasmiden kunnen makkelijk worden doorgegeven van de ene bacterie aan de andere, zelfs tussen verschillende soorten. Dat betekent dat de resistentie zich niet alleen kan verspreiden binnen een boerderij, slachthuis of supermarkt, maar ook in theorie kan overspringen van dier naar mens.

Over welke cijfers hebben we het?

Er zijn sinds 2011 in totaal 380 CPE-isolaten gedocumenteerd binnen de EU, waarvan 257 uit de varkensketen. Andere bronnen: runderen, kippen, vlees, vis, groenten, kruiden, en zelfs insecten (veelal uit importproducten). ​Dus er is veel meer bemonstering gedaan bij varkens dan bij bijvoorbeeld groente, vis, of kruiden. Dit komt omdat veel van de CPE-onderzoeken in Europa zich richten op varkens en E. coli (vaak als indicatorbacterie), omdat deze in het officiële AMR-monitoringsprogramma zijn opgenomen. Dus: we weten simpelweg veel minder over CPE in andere voedselcategorieën.

De monitoringsgegevens zijn helaas niet transparant weergegeven door de EFSA. Hierbij een kansberekening per voedselcategorie op basis van de gegeven informatie in het rapport.

Voorlopige kansberekening per voedselcategorie op basis van EFSA-data

Voedselcategorie

Aantal monsters (geschat/bekend)

Aantal CPE-positief

Kans (%)

Varkens(vlees + omgeving)

ca. 8.000–10.000 (monitoring sinds 2011)

257

~2,6–3,2%

Runderen (vlees + omgeving)

onbekend, minder dan varkens

~30

geschat <1%

Kip

Onbekend

enkele tientallen

geschat <1%

Vis/zeevruchten

Beperkt aantal, vooral import

~10–15

onbekend, mogelijk >1%

Groenten/kruiden (import)

zeer beperkt (~dozijnen/jaar)

~10–12

relatief hoog (soms >5%)

Insecten (ready-to-eat)

zeer weinig monsters

2–3 (gen-detectie)

niet bevestigbaar

N.B. Veel van deze aantallen zijn schattingen of gebaseerd op fragmentaire monitoringgegevens van de EFSA. De kansberekening kan onderschat of overschat zijn, afhankelijk van bemonsteringsintensiteit en analysemethoden.

EFSA heeft geen compleet beeld

In het rapport staat: “Data remain scarce for sources beyond those systematically monitored.” en “An increase in CPE reports may partially reflect an increase in testing.”

Kort gezegd: we hebben geen compleet beeld van de werkelijkheid. We weten vooral wat er gevonden is waar men gekeken heeft. Dat maakt elke harde uitspraak over “waar het meeste risico zit” voorbarig.

Het rapport benadrukt dan ook herhaaldelijk dat de monitoring zich voornamelijk richt op varkens en E. coli, data over andere voedselcategorieën (groenten, vis, kruiden, insecten) zijn zeer beperkt en trends in gevonden CPE zijn mogelijk het gevolg van verhoogde bemonstering, niet per se van daadwerkelijke toename in besmetting.

Toch pleit de EFSA voor het voorkomen of minimaliseren van de verspreiding van CPE in de voedselketen. Zij willen kennislacunes opvullen met betrekking tot bacteriesoorten en -bronnen die momenteel niet worden gemonitord, evenals transmissieroutes, detectiemethoden en de soorten onderzoek die nodig zijn om CPE-detectie te optimaliseren. Het rapport pleit tevens voor een One Health-aanpak, die de gezondheid van mens, dier en milieu integreert, om wereldwijd effectief de oorzaken van carbapenemresistentie in de voedselketen aan te pakken.

Moeten we ons zorgen maken?

Er zijn redenen voor waakzaamheid. CPE kan theoretisch gezien overspringen van dier naar mens. De resistentie zit op overdraagbare plasmiden – genetisch materiaal dat bacteriën makkelijk met elkaar delen. Er zijn al situaties beschreven waarin CPE bij boerderijdieren én werknemers is aangetroffen. Maar tegelijk is er ook geen bewijs dat CPE via vlees mensen massaal ziek maakt. De EFSA spreekt over mogelijke risico’s, niet over bewezen dreigingen.

Degenen die (theoretisch) besmet zouden kunnen worden zijn met name mensen die werken in de slachterij, uitsnijderij en slagerij. Een goede hygiëne is, zoals altijd, belangrijk en dat geldt natuurlijk ook voor consumenten. De bacterie wordt gedood bij een temperatuur van 70 °C.

Is CPE een groot risico in de vleesketen?

Hoewel carbapenemen niet worden gebruikt in de veehouderij, is de aanwezigheid van CPE in de voedselketen een mogelijk risico. Door de overdraagbaarheid van de resistentiegenen en hun potentieel om mensen te infecteren kan CPE een probleem zijn. Alleen weten we nog niet hoe groot, hoe wijdverspreid, of hoe acuut dat risico is. Kortom, waakzaamheid is goed maar we moeten niet overreageren op beperkte data.

Bron: https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.2903/j.efsa.2025.9336

Vraag een vrijblijvend Condor Consult aan