Met de publicatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/1449 is bijlage III van Verordening (EG) nr. 853/2004 opnieuw gewijzigd. De aanpassingen raken meerdere onderdelen van het hygiënekader voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong. De focus ligt op aangescherpte eisen voor visserijproducten en op expliciete regulering van zogenoemde zeer verfijnde producten van dierlijke oorsprong.
De eerdere wijziging rond noodslacht en voedselketeninformatie (VKI) wordt hier niet verder uitgewerkt.
Aanscherping voor visserijproducten
De wijziging verduidelijkt en verscherpt de eisen voor vaartuigen die visserijproducten invriezen en opslaan aan boord, met name bij tonijn die in pekel wordt ingevroren.
Kernpunten:
- De kerntemperatuur van het product moet maximaal –18 °C bedragen.
- Het vaartuig moet over voldoende invriescapaciteit beschikken om deze temperatuur tijdig te bereiken.
- Continue temperatuurmonitoring en registratie zijn vereist.
- De beheersing moet aantoonbaar zijn binnen het HACCP-systeem.
De aanscherping is risicogerelateerd. Bij bepaalde vissoorten kan histaminevorming optreden wanneer onvoldoende snel en diep wordt gekoeld. Histamine is hittebestendig en kan niet door latere verhitting worden verwijderd. Temperatuurbeheersing is daarom een kritische controlemaatregel.
De wijziging richt zich primair op vriesvaartuigen. Gewone vissersvaartuigen die uitsluitend koelen met ijs of gekoeld zeewater en snel aanlanden, vallen onder andere technische eisen. Het onderscheid is activiteitgebonden, niet schaalgebonden.
Opslag op land
Ook voor opslag- en verwerkingsinstallaties op land worden eisen aangescherpt. Vrieshuizen moeten aantonen dat:
- installaties voldoende capaciteit hebben;
- temperaturen stabiel worden gehandhaafd;
- monitoring- en registratiesystemen betrouwbaar functioneren.
De nadruk ligt op verifieerbare beheersing van de koudeketen.
Zeer verfijnde producten van dierlijke oorsprong
De wijziging introduceert expliciete bepalingen voor zogenoemde zeer verfijnde producten. Het betreft sterk bewerkte, moleculair gezuiverde of technologisch verfijnde stoffen van dierlijke oorsprong, waaronder bepaalde vetfracties, derivaten van wolvet en andere gespecialiseerde ingrediënten.
Voorheen bevonden deze producten zich in een juridisch grijs gebied. Ze waren niet expliciet geregeld binnen het kader van 853/2004, waardoor toelating onzeker was. De nieuwe bepalingen creëren duidelijkheid, maar koppelen productie aan specifieke voorwaarden.
Onder meer worden vastgelegd:
- voorgeschreven warmtebehandelingen;
- specifieke verwerkings- en zuiveringscriteria;
- aantoonbare procesvalidatie.
De toelating is daarmee strikt gereguleerd. Het betreft geen algemene verruiming, maar een juridisch afgebakende mogelijkheid.
Harmonisatie en marktwerking
De aanpassingen passen in een bredere ontwikkeling binnen het EU-hygiënekader: verdere harmonisatie en standaardisering. Interpretatieverschillen tussen lidstaten worden verkleind. Technische eisen worden explicieter geformuleerd. Monitoring en documentatie krijgen meer gewicht.
De regelgeving maakt geen onderscheid tussen grote en kleine bedrijven op basis van omvang. Het onderscheid wordt gemaakt op basis van activiteit en risicoprofiel. In de praktijk kan dit echter leiden tot hogere investerings- en compliance-eisen voor bedrijven die activiteiten uitvoeren waarvoor aangescherpte technische normen gelden.
De richting is duidelijk
De recente wijziging bevestigt een consistente lijn: verdere harmonisatie, strengere technische borging en meer nadruk op controleerbaarheid van processen.
Voor de vissector betekent dit hogere eisen zodra wordt ingevroren en opgeslagen aan boord. Voor producenten van sterk verfijnde dierlijke ingrediënten ontstaat expliciete juridische ruimte, maar uitsluitend binnen strak gereguleerde kaders.
De ontwikkeling wijst op een voedselketen die steeds sterker wordt ingericht op standaardisering, procescontrole en industriële toepassing. Technische functionaliteit en verifieerbaarheid staan centraal.
Bron: Verordening (EU) 2025/1449