Regels voor biociden moeten eenvoudiger

Elke ondernemer in de voedselketen weet het: zonder goede hygiëne, geen voedselveiligheid. Maar hygiëne is in de loop der jaren wat anders gaan betekenen. Waar het mkb vroeger nog schoonmaakte met huishoudmiddelen en heet water, is sinds de opkomst van HACCP – vanaf midden jaren ’90 – het credo: ‘kiemvrij’. De consequentie? De opmars van desinfectiemiddelen. Vandaag de dag zijn biociden een vanzelfsprekend onderdeel geworden van elke productieruimte, reinigingsprocedure en auditchecklist.

Niet omdat ondernemers dat zo graag willen – maar omdat het moet. Voedselveiligheidsnormen, exporteisen, certificeringen en klantprotocollen vereisen het. De meeste ondernemers juichen het gebruik van chemische middelen niet toe, maar hebben weinig keus. En dat maakt de stroperigheid van de Europese regels rond biociden des te frustrerender.

Wat speelt er?

De Europese Commissie start eind 2025 een herziening van de Biocidal Products Regulation (BPR). Deze wet, die sinds 2013 geldt, bepaalt welke biociden (desinfectiemiddelen, rodenticiden, insecticiden etc.) in de EU zijn toegestaan, onder welke voorwaarden, en op basis van welke risicoanalyses. Op papier een solide systeem. In de praktijk een lappendeken van vertraging, onduidelijkheid en kosten.

Tijdens een zogeheten Implementation Dialogue op 15 juli 2025 werd het duidelijk: bedrijven, ngo’s en overheden lopen allemaal vast. De toelating van nieuwe of aangepaste biociden duurt vaak jarenlang. Kleine ondernemers komen nauwelijks door de papiermolen. Lidstaten verschillen in tempo en interpretatie. En als je als bedrijf netjes investeert in nieuwe producten of duurzame alternatieven, loop je het risico dat je data worden beschermd, maar je product niet op tijd op de markt komt.

Voor ondernemers in de voedingsmiddelenindustrie is dit geen papieren probleem. Dit gaat over de beschikbaarheid van de juiste middelen om te kunnen voldoen aan HACCP, voedselveiligheidsplannen en exporteisen. Als een favoriet desinfectiemiddel opeens niet meer verkrijgbaar is, of een alternatief juridisch ‘hangt’, kan dat je hele bedrijfsvoering raken.

Waarom is het zo stroperig?

Veel ondernemers denken dat het hier om Brusselse traagheid of ambtelijke overbelasting gaat, en dat klopt deels. Maar de echte reden zit dieper: de wetenschappelijke inzichten over chemische stoffen zijn veranderd. Vroeger werd een stof als ‘veilig’ beoordeeld op basis van acute toxiciteit. Nu kijken we ook naar:

  • hormoonverstorende effecten (endocriene disruptie)
  • langetermijneffecten bij lage blootstelling
  • milieu-opstapeling in water, bodem en organismen
  • resistentievorming bij micro-organismen

Deze nieuwe inzichten leiden tot strengere toetsing, meer data-eisen, en een grotere rol voor milieueffecten. Sommige stoffen die jarenlang gangbaar waren (zoals bepaalde QAC’s of fenolen) blijken achteraf problematischer dan gedacht. En dus moeten bedrijven extra studies aanleveren, terwijl lidstaten vaak niet genoeg capaciteit hebben om die op tijd te beoordelen.

De vertraging zit dus niet alleen in het systeem, maar ook in het feit dat we nu beter wéten wat de risico’s zijn. En dat is op zich positief. Maar het wringt als ondernemers daardoor niet op tijd kunnen schakelen, zelfs als ze wél willen investeren in veilige, werkbare of duurzamere alternatieven.

Naar een groene toekomst – mits werkbaar

De herziening van de BPR is ook een kans om duurzaamheid en innovatie te koppelen. Er zijn al initiatieven op het gebied van ‘groene biociden’ (plantaardige middelen, enzymen, probiotica) maar de route naar toepassing in de praktijk is hobbelig. Want ook natuurlijke stoffen kunnen risico’s hebben, en de regelgeving maakt nog weinig onderscheid in toelatingslasten.

Als Europa vergroening serieus neemt, dan moet het ook het systeem aanpassen: lagere drempels voor veilige, laagrisico stoffen, kortere procedures voor duurzame alternatieven, en stimulansen voor innovatie vanuit het MKB. Anders blijft ‘groene desinfectie’ iets voor op beurzen en pilots, maar niet voor de productievloer.

Zonder praktische alternatieven blijven voedselondernemers gevangen tussen verplichting en aarzeling: verplicht om te desinfecteren, maar huiverig voor de chemische impact. Het zou goed zijn als de herziening van de BPR ook de toekomst van biociden als onderdeel van duurzame voedselproductie durft te hertekenen.

Tijd voor politieke daadkracht

De Commissie belooft nu een grondige herziening van de regels, met oog voor vereenvoudiging. Dat klinkt goed,  maar het is geen vanzelfsprekendheid. Want achter de schermen spelen lastige politieke afwegingen:

  • Hoe garandeer je veiligheid zonder het MKB kapot te regelen?
  • Hoe houd je vast aan milieueisen, zonder innovatie te bevriezen?
  • Hoe creëer je één Europese markt, als lidstaten hun eigen toelatingen willen blijven geven?

Voor ondernemers in de voedselketen is er in elk geval één duidelijk signaal nodig: zorg voor duidelijkheid, snelheid en proportionaliteit in toelatingsprocedures.

Van blokkade naar balans

De huidige biocidenwetgeving zit muurvast tussen goede bedoelingen en gebrekkige uitvoering. En dat terwijl ondernemers die dagelijks in aanraking komen met deze middelen vaak het liefst zo minimaal, gericht en verantwoord mogelijk willen reinigen. Chemie is een middel, geen doel.

Het is tijd dat Europa biociden weer ziet voor wat ze zijn: hulpmiddelen in de bescherming van mens, voedsel én milieu. Geef ondernemers de middelen, geef overheden de capaciteit, en geef regelgeving de eenvoud én richting die nodig is om veiligheid, innovatie en vergroening samen mogelijk te maken.

Bron: https://ec.europa.eu/newsroom/sante/items/892587/en

Vraag een vrijblijvend Condor Consult aan